Steun ons en help Nederland vooruit

Inhoud

Onderwijs als motor van groei en kansengelijkheid

Overzicht
Onderwijs als motor van groei en kansengelijkheid

Goed onderwijs is, naast het gezin waarin je opgroeit, de aanjager van kansen en de motor van persoonlijke groei en ontplooiing. Een leven lang. Door onderwijs vergroot je niet alleen je kennis en ontwikkel je taal-, reken- of vakman vaardigheden: onderwijs bereidt je ook voor op een leven in een samenleving waarin er oog is voor de ander en waar mensen in staat zijn zelf goede keuzes te maken. In een wereld die steeds sneller verandert, is goed onderwijs een leven lang nodig om mensen wendbaar en weerbaar te maken. Goed onderwijs is daarmee niet alleen in het belang van het individu, maar in het belang van ons allemaal. Niet je afkomst of religie, of de rijkdom, positie of opleiding van je ouders mogen bepalend zijn. Toegankelijkheid van goed onderwijs voor iedereen is een zaak van rechtvaardigheid. Talent en inzet zijn de enige factoren die het succes van het individu bepalen. Ongeacht je afkomst, kansen voor de toekomst.
Het huidige onderwijs is goed, maar onze ambities gaan verder. Vandaag is er te veel kansenongelijkheid, er zijn te weinig tweede kansen en de gemiddelde kwaliteit is niet hoog genoeg. Docenten krijgen onvoldoende de ruimte om te excelleren en er wordt te veel gedacht vanuit gemiddelden en niet vanuit de toegevoegde waarde voor elk kind – van achterblijver tot koploper. Gelukkig laten andere landen zoals Finland en Singapore zien dat er binnen één schoolgeneratie grote sprongen voorwaarts gemaakt kunnen worden.

D66 kiest daarom voor investeren in onderwijs. Onderwijs is een kansenmotor, maar ook een aanjager van vrij denken en gericht op brede ontplooiing en vorming.
We investeren in leraren, in kwaliteit, in brede scholen met daarbinnen vroeg- en voorschools onderwijs voor iedereen, in versimpeling van leergangen, in tweede kansen, in leven lang leren en in onderzoek; en dat alles met meer aandacht voor de leerling en minder bureaucratie.

 

Door een goede basis gelijke startkansen

 

D66 wil een goede start voor elk kind. Door de manier waarop we de kinderopvang nu hebben georganiseerd ontstaan verschillen in vaardigheden tussen jonge kinderen uit uiteenlopende delen van de samenleving. Bijvoorbeeld op het gebied van taalbeheersing. D66 wil daarom dat alle kinderen vanaf twee jaar toegang krijgen tot kinderopvang: een brede basisvoorziening van hoge kwaliteit. Beginnend met vier dagdelen per week, ook voor kinderen van niet-werkende ouders. Kinderen met verschillende achtergronden groeien zo samen op. Dat voorkomt schotten en vergroot gelijke kansen. Tegelijkertijd wordt het voor ouders eenvoudiger om te werken.

Een goed voorbeeld hiervan is Sterrenschool Het Universum in Almere. Kinderen kunnen hier tussen 07.00 en 19.00 uur terecht. Kinderopvang en naschoolse activiteiten sluiten naadloos op elkaar aan. Voor ouders heeft de school flexwerkplekken, zodat ze desgewenst even kunnen werken op school om bijvoorbeeld de files naar hun werk te vermijden.

De huidige versnipperde vroeg- en voorschoolse educatie voorzieningen worden in de nieuwe voorziening met elkaar verbonden. We werken toe naar een situatie waarin vroeg- en voorschools onderwijs samenwerkt met een basisschool en welzijnsinstanties, zodat kinderen tot twaalf jaar op één plek terechtkunnen en het onderwijs op elkaar aansluit en afgestemd wordt in zogenaamde doorlopende leerlijnen.

We versimpelen de bestaande, versnipperde financieringsstromen om dit mogelijk te maken, waarbij niemand méér gaat betalen.

 

 

Het staat of valt met leraren

 

Uiteindelijk staat of valt goed onderwijs met de leraar. D66 wil het onderwijs teruggeven aan de leraar. Die geven we meer tijd, meer ruimte en meer vertrouwen. Daarom zorgde D66 voor de 20-lesurennorm. We willen deze norm in de komende 4 jaar in de wet en de begroting verankeren. Van leraren verwachten wij dat zij van elkaar leren, zich ontwikkelen, hun kennis en vaardigheden op peil houden en elkaar helpen steeds een beetje beter te worden. De leraar is eigenaar van zijn eigen lessen. De onderwijsinspectie toetst of het onderwijs voldoet aan de wettelijke vereisten en grijpt slechts in wanneer de kwaliteit van het onderwijs ondermaats is. Deze zienswijze vertaalt zich in investeringen in en eisen stellen aan kwaliteit. Beginnend met meer aandacht op de lerarenopleiding voor effectief lesgeven en het inzetten van de nieuwste inzichten en modernste methoden. Leraren moeten zich meer en vaker bijscholen en houden onderlinge gesprekken over de kwaliteit van lesgeven en bijdragen aan de ontwikkeling van leerlingen. De pabo’s en lerarenopleidingen moeten ook een rol gaan spelen bij de ontwikkeling van leerkrachten die al voor de klas staan. Praktijkervaring, begeleiding door ervaren leraren en aanvullende scholing maken een leraar van startbekwaam vakbekwaam. Voor leraren die zich willen laten bijscholen én voor mensen uit het bedrijfsleven die zich willen scholen tot docent is een lerarenbeurs beschikbaar. In het lerarenregister worden scholing en behoefte inzichtelijk. De lerarenbeurs maakt geen onderscheid tussen docenten die lesgeven in het bekostigd of niet- bekostigd onderwijs. Voor docenten moet het mogelijk zijn om stage te lopen in hun sector, zodat ze altijd op de hoogte zijn van de nieuwste technologie en laatste ontwikkelingen. Daarnaast is het verstandig om juist die leraren die uit het bedrijfsleven komen,didactische en pedagogische kennis te verschaffen. De overheid zorgt ervoor dat leraren meer tijd aan hun leerlingen kunnen besteden door de administratie-, regel- en rapporteerdruk te verkleinen. Maar ook door te investeren in klassenassistenten en conciërges. D66 wil in nauwe samenwerking met de gemeenten komen tot een conciërge op elke basisschool. Plofklassen moeten we tegengaan. We passen de bekostiging van scholen zo aan dat de klasgrootte teruggaat naar ca 23 leerlingen. De instroom in de pabo moet meer divers worden, zodat het personeel op basisscholen een betere afspiegeling vormt van de samenleving. D66 is voor een krachtige en trotse beroepsgroep van leraren en vindt dat zij aantoonbare invloed moeten hebben op zowel curriculumontwikkeling als landelijke examinering, meer dan nu het geval is. Initiatieven op dit gebied vanuit de beroepsgroep worden door D66 van harte ondersteund.

 

Meer vertrouwen, minder regels op details

 

De overheid is doorgeslagen in de hang naar sturen op resultaten en de verantwoording daarvan. Dit heeft een overdaad aan regels en rapportages tot gevolg. We belasten en beperken de leraar te veel. D66 wil daarom dat met en door onderwijsprofessionals een stofkam, of liever nog een bezem, door regels wordt gehaald. De Onderwijsinspectie krijgt de opdracht de management- en rapportagedruk in het onderwijs terug te dringen. Wij willen toe naar een omgang met leraren, besturen en instellingen die uitgaat van veel vertrouwen en met als spiegelbeeld dat er stevig ingegrepen wordt wanneer het mis gaat. Verantwoording afleggen naar elkaar – naar leraar, leerling, student en/of ouders – vormt de basis.

 

Brede buurtschool (kindcentra) voor iedereen

 

D66 wil dat basisscholen meer bieden dan alleen onderwijs. Een brede buurtschool (kindcentrum) is een school waar alle kinderen van twee tot twaalf jaar terecht kunnen. Op een brede buurtschool ontwikkelen kinderen zich op het gebied van sport, cultuur, creativiteit, techniek en maken kennis met natuur en duurzaamheid. Naschoolse opvang en overblijven zijn altijd mogelijk. Deze school biedt een integraal dagarrangement waarin ook aandacht is voor een gezonde leefstijl. D66 wil minstens 3 uur bewegingsonderwijs op de basisschool, gegeven door een vakdocent. Dat wil niet zeggen dat scholen al deze activiteiten overnemen van de verenigingen die ze nu aanbieden. Maar wel dat we via scholen zorgen dat alle kinderen deel kunnen nemen aan dergelijke activiteiten. In Den Haag zijn er inmiddels mooie en inspirerende initiatieven tot brede buurtscholen van de grond gekomen. D66 wil deze brede voorziening overal gerealiseerd zien, financiële middelen ter beschikking stellen en zorgen voor harmonisering van regelgeving en het opheffen van barrières in bijvoorbeeld budgettering, inrichtingseisen en de manier waarop kwaliteit getoetst wordt. Aan het eind van de komende kabinetsperiode (in 2021) moet elk kind voor een brede buurtschool kunnen kiezen. In uitzonderingsgevallen moeten (korte) flexcontracten gedurende langere tijd mogelijk gemaakt worden in het (basis)onderwijs.

 

Nieuwe tijden, nieuwe vaardigheden

 

Het is belangrijk dat het onderwijs met de tijd meegaat. Taal, rekenen en kennis blijven van belang, maar we zien dat digitale vaardigheden als programmeren, sociale vaardigheden als samenwerken en ook zelfredzaamheid aan belang winnen in het leven. D66 wil dat alle leerlingen op school werken aan deze vaardigheden, bijvoorbeeld door maatschappelijke stages in het voortgezet onderwijs. Onze plannen om bijvoorbeeld programmeren op te nemen in het basisonderwijs worden breed gesteund. In de praktijk zien we echter dat verandering traag gaat.

Gelukkig zijn er veel initiatieven die buitenschools georganiseerd worden. CoderDojo bijvoorbeeld. Dit is een project dat in veel Nederlandse steden wordt opgezet en georganiseerd door vrijwilligers. Kinderen van zeven tot zeventien leren hier programmeren, websites bouwen, apps ontwikkelen en meer. Om leraren in staat te stellen dit onderwijs ook te kunnen te verschaffen moet hiervoor aandacht zijn op lerarenopleidingen en in het bijscholingsaanbod.

Onderwijs gaat niet alleen over het bijbrengen van arbeidsmarktvaardigheden. Er wordt ook gewerkt sociaal-emotionele ontwikkeling, aan bewustwording van burgerschap, hoe het politiek bestel functioneert en wat rechten en verantwoordelijkheden van individuen zijn. Maar ook van de privacy- en veiligheidsrisico’s van de digitale samenleving. En er wordt geïnvesteerd in culturele en seksuele vorming, waaronder seksuele weerbaarheid en seksuele diversiteit. En is er aandacht voor begrip van gezamenlijke geschiedenis, inclusief bijvoorbeeld de zwarte bladzijdes van kolonialisme en slavernij. D66 is voorzichtig met van bovenaf opgelegde onderwijsmodes, maar het onderwijs mag niet stilstaan. Kleinschalig praktijkonderwijs voorkomt uitval en ontwikkelt talenten. Het krijgt structureel een plek in het onderwijssysteem en met de meesterproef een formele erkenning. We willen dat leraren, maar ook ouders, leerlingen en bedrijven vroegtijdig worden betrokken bij vernieuwingen in het onderwijs. Iedereen verdient een gezonde en duurzame leeromgeving. Scholen zijn het praktijkvoorbeeld voor leerlingen als het gaat om een duurzaam en vernieuwend Nederland. Scholen krijgen de ruimte en middelen om dit te bieden.

 

Vóór doorstromen en stapelen

 

Niet elk kind ontwikkelt zich op dezelfde manier en in hetzelfde tempo. D66 wil voorkomen dat een gemiste eerste kans ook meteen de laatste kans was. Doorstromen, stapelen en op latere leeftijd terugkeren naar het onderwijs moeten eenvoudig zijn en gestimuleerd worden. We willen weer brede en meerjarige brugklassen creëren, bij voorkeur ook in vmbo/havo combinaties. En met gemeenten samen zorgen we voor zomerscholen. Aanmeldingsprocedures moeten eenvoudig, toegankelijk en transparant zijn. Wij willen voldoende middelbare scholen die vmbo tot vwo combineren. Categorale scholen voorzien in een behoefte, maar moeten altijd intensief samenwerken met brede scholen om stapeling en maatwerk mogelijk te maken. Daarnaast wil D66 experimenteren met driejarige brugklassen. We halen prikkels voor selectie aan de poort weg voor middelbare scholen die willen voorkomen dat leerlingen van vwo naar havo gaan of van havo naar vmbo. Succes van ‘twijfelleerlingen’ met een lager basisschooladvies gaan we juist belonen. En er moet een warme overdracht van leerlingen van basisschool naar middelbare school zijn die het voor een middelbare school makkelijker maakt in te spelen op de individuele behoeftes van de leerling. Bij dit meer gepersonaliseerde onderwijs hoort ook het volgen en examineren van vakken op meerdere niveaus. Dit willen we mogelijk maken via een zogenaamd maatwerkdiploma. Meisjes en kinderen met een niet-westerse achtergrond worden actief gestimuleerd ook exacte en technische vakken en opleidingen te kiezen en beroepskeuzebegeleiding moet op talent gebaseerd zijn. D66 wil de kernvakkenregeling schrappen, om doorstromen en stapelen te stimuleren.

Goed rekenonderwijs is belangrijk. Een landelijke rekentoets bij het examen die doorslaggevend is voor slagen of zakken, legt de nadruk echter te eenzijdig op het belang van rekenen en doet geen recht aan de leerlingen van wie de kwaliteiten op een ander gebied liggen. D66 wil daarom onmiddellijk stoppen met deze (af)rekentoets en het rekenonderwijs op de basisschool en de onderbouw van de middelbare school versterken.

In het middelbaar beroepsonderwijs zullen we alleen centraal examineren op taal en rekenen voor die mbo’ers die door willen stromen naar het hbo of waar taal en rekenen een essentieel onderdeel is van het beroep, zoals bijvoorbeeld bij klassenassistenten, verplegend personeel of technische beroepen. We zorgen dat het onderwijs op vmbo en mbo beter op elkaar aansluit. Dit doen we onder andere door één integraal toetsingskader en door het toelaten van experimenten met doorlopende lijnen als ware het één onderwijssysteem. Bekostigingsregels die stapelen en tweede kansen tegengaan, zoals de zogenaamde cascadebekostiging, maar ook bekostiging die geen rekening houdt met samenstelling van de leerlingen, passen we aan.

We willen blijvend investeren in opleidings- en beroepskeuze, omdat het nog steeds te veel jongeren ontbreekt aan een stevig ontwikkeld beroepsbeeld en zelfbeeld. We werken met gemeenten aan het tegengaan van schooluitval. In het hoger onderwijs bevorderen we tweede studies door wettelijk vast te leggen dat het collegegeld gelijk is aan dat voor de eerste studie.

 

Mensen zijn nooit uitgeleerd

 

Alles om ons heen verandert voortdurend – en wij zelf ook. D66 wil dat mensen de kans krijgen om hun vaardigheden aan te passen aan veranderende eisen op de arbeidsmarkt of zelf voor een andere richting te kiezen. We willen dat mensen weerbaar en vrij zijn, dat iedereen mee kan blijven doen en dat iedereen kan doen waar hij goed in is. “Een leven lang groeien” betekent dat mensen hun hele leven in staat worden gesteld hun kennis bij te werken, te verbreden en te verdiepen. D66 wil dit levenslange leerrecht bevorderen door in te zetten op individuele scholingsbudgetten, ongeacht de contractvorm, als individueel recht voor iedereen die werkt. Hierbij zal ook gekeken worden naar omvorming van de werkgeversfondsen. Deze budgetten worden dus persoons- in plaats van sectorgebonden en kunnen ingezet worden voor alle vormen van opleiding en training, en ook voor het valideren van werkervaring. We maken het sociaal leenstelsel toegankelijk voor laatbloeiers en voor mensen die na een aantal jaren werken een tweede kans willen, ook als ze ouder dan dertig zijn. Mensen die na een onderbreking van hun carrière een doorstart willen maken, krijgen de gelegenheid hun vaardigheden snel weer op peil te brengen. De toegang tot het mbo/hbo/wo voor ouderen wordt vereenvoudigd door meer gebruik te maken van deelcertificaten, door meer flexibiliteit te brengen in het aanbod, door redelijke collegegelden te vragen en ook door mensen in de WW of bijstand de mogelijkheid te geven om een opleiding te volgen. In het kader van leven lang leren bevorderen we het aanbod van avondopleidingen in het hoger en- beroepsonderwijs en nemen we barrières als leeftijdseisen en hoge collegegelden weg. Een leven lang groeien geldt ook voor nieuwkomers, want juist hen kunnen we op deze manier helpen om hun plek in de samenleving te vinden.

Voor nieuwkomers, onder wie asielzoekers, moeten vanaf het moment van aankomst tweejarige internationale schakelklassen beschikbaar zijn. Voor nieuwkomers die ouder zijn dan zestien moeten passende trajecten beschikbaar komen en willen we betere en snellere diploma- erkenning, met desnoods bijscholingstrajecten op maat.

 

Pak laaggeletterdheid aan

 

Het is steeds moeilijker mee te komen in onze samenleving als je niet goed kunt lezen of schrijven. 2,5 miljoen Nederlanders zijn laaggeletterd. Met onze plannen voor vroeg- en voorschools onderwijs, brede buurtscholen en uitmuntende leraren zullen we de instroom van jonge laaggeletterden sterk terugdringen ten opzichte van de huidige 14%. D66 wil ook investeren in laaggeletterden die de school al verlaten hebben. D66 wil de middelen die gemeenten nu krijgen uitbreiden. Zo kunnen gemeenten taalcursussen inkopen, investeren in bibliotheken en taalhuizen of in andere vormen van taalonderwijs. Ook digitale kennis wordt belangrijker: steeds vaker wordt gevraagd iets via internet te regelen, en bij veel banen moet men kunnen omgaan met computers. Sommige mensen kunnen deze ontwikkelingen niet bijbenen en hebben daardoor moeite mee te komen. D66 wil ook deze digitale laaggeletterdheid bestrijden. Het voorkomen en het bestrijden van laaggeletterdheid bevordert gelijke kansen voor iedereen en stimuleert een leven lang leren.

 

Stimuleer getalenteerde leerlingen

 

Uit vergelijkende onderzoeken blijkt keer op keer dat zwakkere leerlingen zich dankzij het Nederlandse onderwijsstelsel goed ontwikkelen. Dat is iets om trots op te zijn en op voort te bouwen met onze agenda van kansengelijkheid. Tegelijkertijd zijn wij veel minder goed in het ontwikkelen van de meest getalenteerde leerlingen en studenten. Wij zijn ervan overtuigd dat toptalent alleen maar belangrijker wordt voor het economisch en maatschappelijk succes van Nederland in een globaliserende wereld. Daarom wil D66 dat specifieke programma’s, zoals plusklassen en honoursprogramma’s, ruimschoots beschikbaar en toegankelijk zijn. Daar waar een kleine school deze niet kan aanbieden moet er met scholen in de buurt en de gemeente gezocht worden naar oplossingen. Daarnaast nemen we barrières weg, bijvoorbeeld door minderjarige leerlingen die naar de universiteit gaan, net als ieder ander toegang tot het sociaal leenstelsel te geven.

 

Passend onderwijs – voor achterblijvers én hoogbegaafde leerlingen

 

Elk kind heeft recht op onderwijs op zijn of haar eigen niveau, binnen de eigen mogelijkheden. Of leerlingen nu achterblijven of juist hoogbegaafd zijn, of achterblijven omdát ze hoogbegaafd zijn: D66 wil hun leerrecht wettelijk verankeren. Voor kinderen die extra zorg nodig hebben, zijn extra budgetten beschikbaar. D66 wil het toekennen van deze budgetten eenvoudiger maken. Een aanvraag door school en ouder moet in principe voldoen. Passend onderwijs moet ook voorzien in specifieke behoeften van leerlingen met beperkingen. In sommige gevallen is en blijft speciaal onderwijs door vakspecialisten noodzakelijk. Zo kan op initiatief van D66 het Doveninternaat in Haren blijven bestaan en worden de zestig kinderen die hier les hebben niet verdeeld over andere scholen in het land.

Thuiszitten is nooit een acceptabel alternatief. De recente invoering van passend onderwijs verplicht schoolbesturen om samen te werken in het aanpassen van het onderwijs aan de onderwijsbehoefte van de leerling. Zo kunnen meer leerlingen in het regulier onderwijs blijven en wordt schoolverzuim tegengegaan. De ontstane samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs zullen de komende jaren hard moeten werken om het aantal thuiszitters terug te dringen. Extra aandacht is nodig voor het vergroten van de betrokkenheid van de ouders en het beperken van de administratieve belasting van ouders en leraren.

 

Koester bijzonder talent

 

D66 koestert jong sportief, creatief en ondernemend talent. Deze talenten lopen soms tegen de inflexibele structuur van het schoolse leven aan, ondanks de inzet van bijvoorbeeld Topsport Talentscholen (LOOT) of creatieve opleidingen zoals conservatoria. D66 wil dat we voor deze talenten flexibel omgaan met onderwijstijd en -doelen. Wij streven ernaar de mogelijkheden voor sportieve en creatieve talenten in het onderwijs te optimaliseren.

 

Moderne vrijheid van onderwijs

 

Het klassieke onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs is voor ouders minder en minder van belang. De aandacht van ouders gaat vooral uit naar kwaliteit, pedagogische aanpak, sfeer en locatie. In onze grondwet, in artikel 23, is vrijheid van onderwijs vastgelegd. Dit artikel kan echter ook een beperking opleveren voor de acceptatieplicht van leerlingen, voor samenwerking tussen scholen, voor waarborgen voor onderwijskwaliteit en voor zeggenschap van gemeenten en hun regierol. D66 is altijd al kritisch over dit artikel in de grondwet en zal indien de genoemde problemen niet opgelost kunnen worden, opnieuw het initiatief nemen dit artikel aan te passen. D66 wil daadwerkelijke ruimte om een school te stichten van andere dan de klassieke richtingen. Bijvoorbeeld door innovatie te stimuleren en ideeën te verzamelen, zoals in Amsterdam bij het project ‘Onze Nieuwe School’. In gebieden waar scholen te maken krijgen met sterk dalende leerlingenaantallen, moeten scholen zoveel mogelijk (kunnen) samenwerken of samengaan om de kwaliteit te behouden. Krimpregio’s moeten in samenwerking met scholen een plan maken hoe ze op de lange termijn het onderwijsaanbod op peil houden.

D66 wil het politieke debat aangaan om, op basis van het beginsel ‘scheiding van kerk en staat’, artikel 23 van de grondwet te vernieuwen. In dat debat komen de acceptatieplicht, het openbare karakter van de scholen, de voorwaarden voor financiering, de kwaliteit van het onderwijs en burgerschap aan de orde. Dit willen we omdat we scholen voor de toekomst willen behouden en versterken als de plek waar kinderen de sociale vaardigheden opdoen die belangrijk zijn voor onze stabiliteit en welvaart. We vinden het belangrijk dat kinderen met verschillende achtergronden in een pluriforme samenleving als de onze elkaar tegenkomen op school. Dat vermindert verzuiling, polarisatie en kansenongelijkheid.

 

Investeer in bibliotheken als partners

 

D66 wil een toekomstbestendig bibliotheekbestel dat een leven lang leren stimuleert en faciliteert. Bibliotheken zijn partner van het rijk en gemeenten in het bestrijden van laaggeletterdheid en ongelijkheid, het creëren van kwalitatief hoogwaardig onderwijs en het bieden van een laagdrempelige plek voor mensen met diverse achtergronden. D66 ziet kansen in het verder verknopen van landelijke en gemeentelijke doelen op sociaal, cultureel en onderwijsterrein aan de doelstellingen van de bibliotheken.

 

Voortreffelijk beroepsonderwijs

 

Er is behoefte aan excellente vakmensen op alle niveaus. D66 wil dat het beroepsonderwijs – vmbo, mbo én hbo – een volwaardige pijler is naast het academisch onderwijs. Het beroepsonderwijs moet daarom versterkt worden, in het bijzonder het mbo. Een eerste stap is het terugdringen van de grote fragmentatie en de overdaad aan richtingen. D66 wil een beperkt aantal herkenbare en brede studierichtingen die doorstroming vanuit vmbo en havo eenvoudiger maken, die aansluiten bij de arbeidsmarkt en die internationale uitwisseling en stages stimuleren. Want uitwisseling in het beroepsonderwijs is belangrijk, niet alleen tussen leerlingen, maar ook de uitwisseling van kennis en expertise tussen docenten en praktijkopleiders. Een ondergrens aan het aantal leerlingen per richting voorkomt versnippering, waarbij voor specialistische vakopleidingen met een duidelijke arbeidsmarktvraag een uitzondering wordt gemaakt. Doorlopende leerlijnen bevorderen de aansluiting tussen vmbo en mbo en hbo. We gaan alle leerlingen voorbereiden op hun rol in een schone, slimme en eerlijke samenleving. We maken het eenvoudiger voor jonge mensen om te blijven leren, door het gebruik van Associate Degrees, Meestertitels en zogenaamde meesterschap-in-vakmanschaptrajecten die ook in deeltijd kunnen worden gevolgd. Voor goede leerlingen bieden we excellentieprogramma’s aan om hun ambities waar te maken. Werkgevers worden in het opleidingstraject betrokken. Voor leerlingen die wel goed zijn in hun vak, maar voor wie te hoge eisen aan taal en rekenen (avo- isering) leiden tot het risico van uitval, wordt het mogelijk een vakdiploma te halen dat toegang biedt tot de arbeidsmarkt. We verwachten van onderwijsinstellingen dat zij in de regio actief samenwerken met bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen om het aanbod bij de arbeidsvraag te laten aansluiten en voldoende stage- en leerplekken te scheppen. Contact met werkgevers en met oud-leerlingen over hun eventuele nascholing bieden scholen waardevolle inzichten in mogelijke lacunes in hun opleidingen. Daar waar scholen te zwak zijn of sprake is van slecht bestuur grijpt de inspectie in.

 

Kwaliteit van inburgeringsonderwijs waarborgen

 

Inburgeringsonderwijs is een speciale vorm van onderwijs voor nieuwkomers en hoort daarom thuis bij het ministerie van OCW. Het doel is burgerschap en maatschappelijke participatie. Taal is daarbij een belangrijk middel. D66 wil de kwaliteit van inburgeringscursussen waarborgen. Daarbij staat het onderwijskundig proces centraal als voorwaarde voor erkenning en financiering. De wijze van examineren wordt op onderwijskundige gronden heroverwogen.

 

Wetenschappelijk onderwijs van wereldklasse

 

D66 heeft ervoor gezorgd dat in de komende jaren meer wordt geïnvesteerd in het hoger onderwijs en dat meer ruimte is ontstaan voor medezeggenschap van studenten en docenten. Voor deze investering was het invoeren van het sociaal leenstelsel noodzakelijk. De toegankelijkheid van het hoger en wetenschappelijk onderwijs was en is voor D66 een harde randvoorwaarde. D66 wil voorkomen dat het sociaal leenstelsel leidt tot grotere kansenongelijkheid en tweedeling vergroot. Indien na evaluatie blijkt dat het sociaal leenstelsel nadelige effecten op de toegankelijkheid van het hoger en wetenschappelijk onderwijs heeft, zullen we deze effecten corrigeren. We willen wettelijk vastleggen dat het collegegeld voor een tweede studie gelijk is aan dat voor een eerste studie. Verder bevorderen we de toegankelijkheid met een begrensd collegegeld voor laatbloeiers en het verlagen van barrières tussen het hbo en wo, zodat studenten flexibeler van het gehele hoger onderwijsaanbod gebruik kunnen maken.

Wij willen de komende jaren dat de aandacht expliciet uitgaat naar de beoogde hogere kwaliteit van onderwijs. De door het nieuwe leenstelsel vrijvallende middelen zullen ook in de toekomst voor de kwaliteit van het hoger onderwijs gereserveerd blijven; het betreft immers gelden die in het verleden als basisbeurs aan de studenten werden uitgekeerd.

De kwaliteit van onderwijs vergt daarnaast voldoende goede docenten die op hun onderwijsprestaties aanspreekbaar zijn. Wetenschappers kunnen immers alleen volwaardig functioneren als ze ruimte krijgen voor het verwerven van kennis door onderzoek én het overdragen van die kennis via hun onderwijstaak. Ook tijdelijke docenten en promovendi moeten tijdig de kans krijgen hun docentvaardigheden te ontwikkelen door training en coaching. Docenten moeten voldoende begeleidingstijd krijgen per student en voldoende beschikking hebben over de digitale instrumenten die bij modern onderwijs en onderzoek horen. Naast de wo-masters wordt meer ruimte gegeven aan professionele masters binnen het hbo. Binnen de kunstenstudies (conservatoria, beeldende kunst-, design-, en modeacademies, toneelscholen) kan worden geëxperimenteerd met een derde onderwijscyclus, inclusief een professionele doctoraat. Initiatieven om talentvolle studenten en docenten uit het buitenland aan te trekken krijgen volle steun, evenals pogingen om dergelijk talent ook na hun studie voor de Nederlandse economie te behouden. Bijvoorbeeld door hen met een blue card versneld een werk- en verblijfsvergunning te kunnen verlenen.

Wij vinden dat het belang van promovendi voor het wetenschappelijk onderzoek in Nederland groot is en daarom verdienen zij het om als volwaardige medewerkers te worden behandeld, en niet als beursstudenten. We willen niet dat onderzoekers te lang op tijdelijke contracten blijven werken; voor gepromoveerde, talentvolle onderzoekers moet er een duidelijk pad zijn voor een academische carrière.

 

Omarm online en digitaal onderwijs

 

Het onderwijs zit middenin een digitale revolutie. Nieuwe digitale lesmethoden kunnen een positief effect hebben op zowel de effectiviteit van de lesmethoden als de tijdsbesteding van de leraar. Digitale kennisdeling, leren op afstand,
Massive Open Online Courses, digitaal toetsen, digitaal bijscholen vormen een rijke aanvulling op de huidige vormen van onderwijs. D66 wil dat Nederlandse onderwijsinstellingen deze ontwikkelingen omarmen en leraren scholen hiermee om te gaan. Er zullen daarbij altijd een aantal instellingen vooroplopen, ook internationaal, en dat moedigen wij aan. Met alle instellingen samen moet, het liefst op Europese schaal, gewerkt worden aan de officiële erkenning van online vakken en studies.

 

Internationaal onderwijs wordt belangrijker

 

Ons onderwijs heeft steeds meer de taak onze kinderen op te leiden als wereldburgers. Daarnaast is er een groeiend aantal buitenlandse kinderen die een deel van hun schoolcarrière in Nederland beleven. D66 wil dat ons onderwijs mee ontwikkelt en internationaler wordt. Dat vraagt allereerst om ruimte voor tweetalig onderwijs op alle niveaus. D66 wil eindexamens in het Engels voor zoveel mogelijk vakken op de middelbare school rechtsgeldig maken. D66 is ook voorstander van het uitbreiden van het Engelstalig hoger onderwijs. Hoger onderwijs in het Engels is een verrijking voor de student en maakt het eenvoudiger om buitenlandse studenten en docenten aan te trekken en gebruik te maken van internationaal lesmateriaal en online lessen. Voorwaarde is wel dat het onderwijs dan ook plaatsvindt in Engels van hoog niveau. Ook in het beroepsonderwijs wil D66 meer aanbod van andere (vak)talen. Voor al het voortgezet- en vervolgonderwijs moet internationale uitwisseling van leerlingen en studenten en deelname aan programma’s zoals het Erasmus-programma bevorderd worden.

 

Voorzichtig met selectie aan de poort

 

Sluipenderwijs is de selectie aan de poort bij het hoger onderwijs toegenomen. Geschat wordt dat ongeveer een derde van de wo-studenten en een tiende van de hbo-studenten in hun studie is beland na een succesvol verlopen selectie. Wanneer selectie verder gaat dan het uitfilteren van mensen met lage cijfers, maar er echt gekeken wordt naar motivatie en talent, kan selectie helpen bij het optimaal inzetten van schaarse onderwijsmiddelen. Maar er is een reëel risico dat instellingen kiezen voor ‘minder riskante’ studenten, waardoor bijvoorbeeld jongeren met een niet-Nederlandse achtergrond de kans lopen buiten de boot te vallen. D66 wil dat deze effecten heel expliciet in kaart worden gebracht en als onderdeel van de jaarplannen worden gedeeld. We hebben liever geen selectie, dan selectie die – onbedoeld – geschikt talent van een kans berooft.

D66 wil geen beperkingen, zoals een numerus fixus, voor studies en opleidingen waar veel (toekomstige) vraag naar is op de arbeidsmarkt. Uiteraard moeten er voldoende middelen zijn voor deze studies en opleidingen om de kwaliteit te waarborgen.

 

Studenten ontwikkelen zich breed

 

Nederland kent een lange traditie van uitgebreide ontplooiing naast de studie. Het ontplooien en ontwikkelen van talent is onverminderd van belang. Ook nu het hoger onderwijs door het sociaal leenstelsel en bindende studieadviezen zakelijker geworden is. Studenten die bijvoorbeeld een bestuursjaar gaan doen, naar het buitenland gaan, een onderneming hebben, zich willen inzetten als volksvertegenwoordiger of een uitgebreide stage willen lopen, moeten daarvoor de ruimte krijgen. Inflexibele collegegelden, prestatienormen en vereiste voortgang kunnen in de weg staan. D66 is daarom voorstander van maatregelen voor flexibel en collegegeldvrij studeren.

 

Meer medezeggenschap

 

Wij zijn altijd al voorvechter van sterke medezeggenschap. Op dit moment leggen bestuurders met name verantwoording af aan de onderwijsinspectie en ‘Den Haag’, maar dat is vooral een papieren werkelijkheid. Goed onderwijs komt tot stand als degenen om wie het onderwijs draait een stem hebben in de besluitvorming: leerlingen, studenten, ouders en docenten. Zij staan nu vaak nog buitenspel, terwijl zij goed kunnen beoordelen wat goed onderwijs is en hoe leraren het beste bij hun leerlingen of studenten naar boven halen. D66 wil een open cultuur en échte invloed van studenten, ouders en docenten op scholen en hún onderwijs. Deze medezeggenschap zorgt ervoor dat de behoeftes van de direct betrokkenen in het schoolbeleid centraal komen te staan. D66 wil bij universiteiten en hogescholen de opleidingscommissies en facultaire studentenraden versterken en rechten en plichten voor deze raden uitbreiden. Meer aandacht voor scholing, goede faciliteiten en voldoende beschikbare uren is hiervoor onmisbaar. Medezeggenschap moet zowel centraal als decentraal sterk zijn. Ook in het mbo is behoefte aan sterkere medezeggenschap.

 

Investeren in onderzoek

 

Wetenschappelijk onderzoek vergroot onze kennis van onszelf, de wereld en het universum en komt voort uit de menselijke nieuwsgierigheid. Het heeft daarom een intrinsieke waarde. Daarnaast leiden de verkregen inzichten door hun toepassingen tot meer welzijn en welvaart. We vinden dat naast toegepast onderzoek ook fundamenteel onderzoek, waarvan de toepassing niet onmiddellijk evident is, een duidelijke plaats moet hebben. Wetenschappers zijn zeer doordrongen van hun maatschappelijke rol en zoeken zelf naar de toepassingen van nieuwe kennis. Wel moeten, waar mogelijk, de wetenschappers ondersteund worden in het naar de markt brengen ervan.

D66 heeft de afgelopen jaren gezorgd voor meer investeringen in wetenschappelijk onderzoek – fundamenteel en toegepast. Deze lijn zetten wij voort. We willen dat de overheid de financiering van onderzoek en innovatie in enkele jaren met 1 miljard extra laat groeien tot minimaal 1% van het BBP. Daarbij willen we de administratieve last van het aanvragen van subsidies beperken en moet een goed onderzoeksvoorstel een redelijke kans hebben om gehonoreerd te worden. Het uitwisselen en aantrekken van internationaal onderzoektalent door Nederlandse topinstellingen krijgt volle steun. In het kader van ontwikkelingssamenwerking wordt ingezet op het delen en uitwisselen van kennis en onderzoek op gebieden waar Nederland goed in is. Dit helpt de opkomende economieën waarin we investeren en geeft tegelijkertijd het Nederlandse wetenschappelijke onderzoek een impuls. De vruchten van dit met publiek geld gefinancierde onderzoek moeten zoveel mogelijk vrij toegankelijk en voor iedereen beschikbaar zijn. D66 pleit voor zogenaamde ‘open science’ platformen. Promovendi leveren een belangrijk bijdrage aan wetenschappelijk onderzoek. D66 wil dat zij als volwaardige medewerkers worden behandeld. Het experiment met promotiestudenten willen we daarom stoppen.

 

Cultuur als bron van ontplooiing

 

Cultuur zet ons aan tot denken, verruimt onze blik, daagt ons uit, ontroert en troost ons, uit onze creativiteit en verbindt ons met ons verleden. Culturele uitingen houden ons en onze samenleving een spiegel voor en bieden de verbintenis met een gedeeld en ook soms gescheiden verleden. Daarnaast levert de culturele sector een wezenlijke bijdrage aan de leefbaarheid van onze gemeenten en de aantrekkelijkheid van ons land als vestingplaats en toeristische bestemming. De overheid heeft hierin een belangrijke rol. Allereerst door te zorgen dat iedereen, maar vooral onze kinderen, gelegenheid krijgt om kennis te maken met kunst en cultuur. Geen kind verlaat wat ons betreft de middelbare school zonder het Rijksmuseum te hebben bezocht. Degenen die bijzondere creatieve talenten krijgen hebben de kans deze te ontplooien. We zorgen dat er een gevarieerd aanbod van kunst en cultuur is – van klassiek tot vernieuwend. Dit aanbod maken we toegankelijk voor iedereen, ongeacht inkomen, leeftijd, culturele achtergrond en woonplaats. Ten slotte moet de overheid zorgen dat kunst en cultuur toekomstbestendig zijn, door onze monumenten, kunstschatten, archieven en archeologische vondsten te bewaren voor de generaties na ons.

De laatste twee kabinetten hebben afgerekend met cultuur. Het rijk en gemeenten en provincies bezuinigden elk bijna een kwart op hun budget. Dat is niet zonder gevolgen gebleven. Van de instellingen die sinds 2013 geen structurele rijkssubsidie meer ontvangen is de helft gestopt. Voor het overgrote deel gaat het om instellingen in de podiumkunsten. Musea, theaters en productiehuizen teren veelal in op eigen vermogens. Er zijn zo’n twintigduizend banen verloren gegaan en door beperkte loonstijging hebben de mensen die nog wel een baan hebben ook meebetaald. Er is niet alleen in het vet gesneden, het mes is te vaak tot het bot gegaan. D66 wil daarom gericht investeren in het herstel van cultuur. Daarbij houden we het versterkte ondernemerschap en de verwerving van steun van publiek uiteraard vast. D66 wil dat het komend kabinet investeert in cultuur.

 

Cultuur in het onderwijs

 

Kinderen moeten van jongs af aan in aanraking komen met kunst en cultuur. De school maakt kunst en cultuur toegankelijk, ook voor leerlingen die dat niet van huis uit meekrijgen. Cultuuronderwijs moet dan ook een vast onderdeel zijn van de lesprogramma’s in het lager en middelbaar onderwijs. We streven er daarbij naar om cultuur te integreren in de volle breedte van het onderwijs. Zo kan een biologieklas naar een natuurmuseum gaan, of een filosofieklas een bezoek brengen aan het theater.

Cultuuronderwijs is niet alleen leuk en inspirerend, maar het zorgt ook voor historisch besef en draagt bij aan de vorming van een eigen identiteit. Zo kan een schilderij of voorwerp een verhaal vertellen over het verleden en tegelijkertijd de verschillen en overeenkomsten met het heden laten zien. Kunstvakken, zoals theater, muziek en beeldende vorming, kunnen een creatieve geest stimuleren. Nieuwsgierigheid, iets op verschillende manier bekijken en leren beschrijven en het probleemoplossend vermogen worden door cultuuronderwijs gestimuleerd. Daarmee levert cultuureducatie een essentiële bijdrage aan de ontwikkeling van de creatieve vaardigheden van kinderen, vaardigheden waar ze nog een leven lang profijt van kunnen hebben. Het budget voor cultuureducatie, bijvoorbeeld voor het programma ‘cultuureducatie met kwaliteit’, wordt verhoogd en ook toegankelijk gemaakt voor voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs.

 

Topkwaliteit met allure

 

D66 wil gericht investeren in kwaliteit met internationale uitstraling, zoals toporkesten en beeldbepalende toneel- en dansgezelschappen. Daarbij kan de stimuleringsregeling voor de filmsector als inspiratie gelden voor de gehele creatieve industrie en is er ook ruimte voor samenwerking tussen de kunstvormen wat nu dikwijls tussen wal en schip valt. Deze investering geldt ook voor zogenaamde ‘moeilijke producten’ en kwetsbare vernieuwende cultuuruitingen. Met deze investering bouwen we de kwaliteit uit en dragen we deze uit in binnen- en buitenland. Daarnaast investeren we gericht in voorzieningen voor talentontwikkeling zoals productiehuizen en beurzen voor kunstenaars, architecten en ontwerpers.

 

De collectie van Nederland laten zien en laten leven

 

Nederland heeft een fijnmazig museumbestel met in vrijwel elke stad of dorp een museum. Al die musea samen, groot en klein, tonen de Nederlandse geschiedenis en ons rijke culturele verleden. Om die collectie vitaal te houden, moet het ook mogelijk blijven deze aan te vullen met nieuwe werken. Het Aankoopfonds en het Mondriaanfonds spelen daarin een belangrijke rol. Deze moeten dan ook de slagkracht hebben, om onze collectie levend en toekomstbestendig te houden. Met de musea gaat het goed: ze trekken jaarlijks meer bezoekers, ook uit het buitenland. Grote tentoonstellingen, de zogenoemde ‘block-busters’, breken records in bezoekersaantallen. Daar mogen we trots op zijn. Door als overheid garant te staan voor een groter deel van de verzekering voor topstukken kunnen nog meer museumbezoekers in Nederland genieten van de mooiste werken. Daarnaast pleiten wij voor het breder inzetten van de rijkdommen in de depots van de musea elders in de samenleving.

Maar laten we ons tegelijkertijd niet blindstaren op de bezoekersaantallen. En vooral ook oog blijven houden voor de onderzoekstaken van musea. Goed collectiebeheer is wellicht niet meteen zichtbaar voor de buitenwereld, maar wel een kerntaak van een museum en een voorwaarde voor succesvolle tentoonstellingen later. We moeten er dus voor waken dat de bezuinigingen die de sector te verduren heeft gehad ten koste gaan van het aantal conservatoren en de opleidings- en onderzoekstaken van een museum. Die zijn namelijk cruciaal voor de waarde van de collectie.

 

Erfgoed beschermen voor volgende generaties

 

Ons culturele erfgoed is het tastbare verleden dat we kunnen doorgeven aan toekomstige generaties. Dat erfgoed is overal te vinden. In archieven, musea, in verhalen en tradities, soms in het buitenland, maar soms ook gewoon op straat. Dat moeten we koesteren. Dit vraagt om afstemming tussen het rijk, de provincie en de gemeente, tussen rijksinstellingen en hun lokale omgeving, maar ook tussen de verschillende ministeries – het vraagt om een integrale benadering. Bij het beschermen van ons erfgoed voor de toekomst en bij het toegankelijk maken voor een groot publiek, speelt digitalisering een cruciale rol. Hiervoor moeten dan ook voldoende middelen beschikbaar zijn, onder andere door aanvulling van het Aankoopfonds Collectie Nederland en een duurzame publiek-private vorm van erfgoedfinanciering en -eigendom in een erfgoed trust. Om het voortbestaan van beschermd erfgoed te verzekeren pleiten wij voor de herbestemming van historische gebouwen en infrastructuur.

De digitale collecties van erfgoedinstellingen en musea zijn van grote waarde voor innovatie in de wetenschap, het onderwijs en de creatieve industrie. Achter de schermen behartigen deze instellingen de belangen van menig wetenschapper, student, journalist, auteur en documentairemaker. Het is van belang de financiering van de behoud- en beheerstaken van musea en erfgoedinstellingen hierop grondig te herzien en de toegankelijkheid beter vorm te geven.

 

Auteursrecht moderniseren

 

D66 vindt het belangrijk dat een eerlijk deel van opbrengsten terecht komt bij artiesten en makers, ook bij exploitaties online. Het auteursrecht moet auteurs en artiesten in staat stellen mee te delen in het vruchtgebruik van hun werk en daarnaast de toegankelijkheid van beschermde werken faciliteren. De digitale ontsluiting en open gebruik van collecties van erfgoedinstellingen en musea worden door het huidige auteursrecht tegengewerkt. D66 is daarom voorstander van invoering van een digitaal leenrecht, wettelijke ondersteuning van ‘extended collective licensing’ en een fundamentele hervorming van het Europese Auteursrecht online.

 

Werken aan toegankelijkheid

 

D66 vindt het belangrijk dat iedereen toegang heeft tot het culturele aanbod. Dus ook jonge mensen en nieuwe Nederlanders. Dat vraagt vindingrijkheid en initiatief van culturele instellingen. De overheid moet dat stimuleren door meer waardering en financiële ruimte te geven voor brede festivals en genres die buiten de traditionele kunstuitingen vallen. En door ruimte te bieden voor experimenten met nieuwe vormen van presentatie en manieren om het publiek te bereiken. D66 wil cultureel ondernemerschap verder ondersteunen en ontwikkelen. Daarom willen we de bestaande regeling “cultuur ondernemen” na 2017 continueren.

 

Cultuur in heel het land

 

De huidige Basis Infrastructuur (BIS) is gebaseerd op een evenwichtige spreiding van culturele voorzieningen over het land, maar houdt te weinig rekening met regionale verschillen en behoeften en met culturele en sociale diversiteit. D66 is er voorstander van dat regio’s – culturele instellingen samen met de regionale en lokale overheden – samenwerken in het ontwikkelen, in stand houden en uitwisselen van expertise en samen voorstellen ontwikkelen voor een samenhangend cultureel aanbod in de regio, waarbij financiering van rijk, provincie en gemeenten worden gebundeld.

Verhoging van het budget voor de BIS gaat niet ten koste van budgetten van de fondsen. Op termijn wil D66 de BIS en de fondsen in samenhang hervormen, om meer recht te doen aan de spanning tussen continuïteit en vernieuwing.

 

Inkomenspositie van kunstenaars versterken

 

Mede door de recente bezuinigingen staat de inkomenspositie van kunstenaars en artiesten zwaar onder druk. Kunst bestaat niet zonder hen. D66 vindt daarom van belang dat in het cultuurbeleid aandacht is voor de positie van kunstenaars en artiesten. Zeker van gesubsidieerde instellingen, omroepen en festivals verwachten we goed werkgever- en opdrachtgeverschap. Belangrijke instrumenten, naast beurzen en stipendia, kunnen zijn: subsidievoorwaarden voor instellingen, het auteurs- en naburig recht en de herwaardering van de 1%-regeling voor de inzet van kunst bij de ontwikkeling van bouwopgaven.

 

Media als waakhond van de democratie

 

Een divers media- en omroeplandschap is van het hoogste belang voor een samenleving die haar kritisch vermogen wil blijven ontwikkelen. Wanneer mensen kennis nemen van andere standpunten en andere manieren van kijken naar een werkelijkheid neemt de kans op begrip toe. Het alleen maar horen van bevestiging van het eigen gelijk in media van eigen kring kan daarentegen leiden tot een grotere tweedeling. Kritische media zijn cruciaal in een tijd waarin mensen weer meer optrekken met gelijkgestemden en zij minder blootgesteld worden aan andersdenkenden.

Onafhankelijke journalistiek is een essentiële voorwaarde voor een moderne en sterke democratie. Die journalistiek staat onder druk door bezuinigingen en door concurrentie van gratis alternatieven. Redacties verdwijnen of worden kleiner en worden kwetsbaar doordat ze steeds meer afhankelijk zijn van freelancers. Steeds minder journalisten moeten een keuze maken uit het aanbod van steeds meer persvoorlichters. Nieuwsmedia gaan bovendien steeds verder om de gunst van de lezer, kijker en luisteraar te winnen. Dat gaat ten koste van de ruimte die de professional, de journalist, heeft om nieuws te brengen dat volgens hem belangrijk is. Met name de lokale en regionale onafhankelijke en pluriforme media en journalistiek staat onder druk. Dat terwijl we meer overheidsmacht en democratische bevoegdheden hebben gedecentraliseerd. Het is van publiek belang dat er op alle niveaus sprake is van onafhankelijke, hoogwaardige en kritische journalistiek.

 

Publieke omroep onderscheidend op kwaliteit

 

Er is een duidelijke publieke mediataak gericht op nieuws, informatie, cultuur en educatie. Nederland heeft een unieke publieke omroep die van oudsher de hoofdrol speelt in het uitvoeren van die taak. Daarbij staan niet gemiddelde kijkcijfers, maar zowel het bedienen van specifieke doelgroepen als het bereiken en verbinden van een brede doorsnede van de Nederlandse samenleving voorop. D66 heeft zich de afgelopen periode sterk gemaakt voor het halveren van de bezuinigingen van dit kabinet op de publieke omroep.

Naast de traditionele, van oorsprong verzuilde omroepen zijn nieuwe omroepen tot het bestel toegetreden. De publieke omroep is in ontwikkeling, met een groeiende rol van NPO, netcoördinatoren en programmaraden. D66 gaat door op de ingezette lijn. Daarin mogen ook andere producenten dan de omroepverenigingen programma’s maken voor de publieke omroep. Mensen blijven de mogelijkheid houden om bijvoorbeeld door middel van lidmaatschap, invloed uit te oefenen op het programma-aanbod. De taakomroepen NOS en NTR nemen een bijzondere positie in, omdat zij zorg dragen voor de brede nieuws- en informatievoorziening.

 

Onafhankelijke en vrij toegankelijke publieke omroep

 

D66 vindt een sterke, onafhankelijke, pluriforme publieke omroep die nationaal en lokaal is geworteld in de samenleving, van essentieel belang voor het functioneren van de democratie. Die staat of valt immers met goed geïnformeerde burgers. In een sterk veranderend medialandschap moeten we ervoor blijven zorgen dat de inhoud van die publieke omroep vrij toegankelijk is, ook wanneer mensen (in Nederland of in overige EU-lidstaten) bijvoorbeeld alleen nog maar online tv of radio consumeren. De onafhankelijkheid van de publieke omroep wordt vooral gewaarborgd door een overheid die haar rol kent. De overheid stelt duidelijke kaders, maar gaat niet over de inhoud van de programmering. De bezuiniging op de regionale omroepen zoals opgenomen in het Regeerakkoord Rutte II wordt met minimaal €5 mln. naar beneden bijgesteld.

 

Versterking regionale publieke media

 

In de toekomst zal NPO dé uitgever zijn van landelijke publieke media en zullen de regionale publieke media bestuurlijk geworteld blijven in de regio, met behoud van zelfstandigheid, door eigen zendmachtiging en budget. Dat is de beste manier om de journalistieke onafhankelijkheid te borgen. Uitgangspunt daarbij is wel standaardisering en harmonisering van de techniek, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de landelijke publieke omroep. Hierdoor kan optimaal gebruik worden gemaakt van de innovatiekracht van de publieke omroep en is sprake van een efficiënte besteding van publieke middelen. Per zender of medium zal een hoofdredacteur verantwoordelijk zijn voor de inhoud. Als buffer tussen programmamakers en politiek is een sterke programmaraad onontbeerlijk. De regionale omroepen krijgen naast hun eigen kanaal zendtijd op één van de landelijke netten voor regionaal nieuws en informatieve programma’s over de regio. Dit stimuleert samenwerking en vergroot het bereik van de regionale omroepen. De samenwerking tussen regionale omroepen die nu gestalte krijgt is een goede stap op weg naar versterking van deze omroepen.

 

Versterking lokale journalistiek

 

Lokale omroepen zijn nu financieel afhankelijk van de lokale overheid. Dat is onwenselijk. D66 wil dat lokale omroepen landelijk gefinancierd worden, zodat ze onafhankelijk kunnen opereren. Mede ter versterking van de lokale democratie is het belangrijk dat de overheid ook blijft investeren in de lokale omroepen. We verwachten van omroepen, ook de lokale, dat ze innoveren. Belemmeringen voor privaat-publieke samenwerking met online en printmedia nemen we weg.

Verkiezingsprogramma 2017-2021